Dansen

Dansen 2017-04-16T12:46:51+00:00

Ballroom

Ballroomdansen (Ballroom) of standaarddansen is de verzamelterm voor een bepaalde stroming van de stijldansen die allen gedanst worden volgens dezelfde stijl. In het Engels wordt met de term ballroom dances alle stijldansen aangeduid. In het Nederlands gebruikt men de term vaak niet op deze manier, maar duidt men met het woord hetzelfde aan als met de standaarddansen (Engels: standard dances). De internationale standaarddansen zijn de Engelse wals, tango, quickstep, slowfox en Weense wals. De ballroomdansen verschillen op vele punten met de Latijns-Amerikaanse dansen, zoals in de houding. Ook zijn alle ballroomdansen ‘progressief’. Dit wil in deze context zeggen dat er met de dans afstand wordt afgelegd over de dansvloer en men (tegen de klok in) rond de dansvloer danst. Meestal worden de figuren in de ballroomdansen volgens een bepaald programma gedanst, maar in principe kunnen de meeste figuren in willekeurige volgorde na elkaar gedanst worden.

 

Standaardisatie

De techniek van de standaarddansen is vastgelegd door Alex Moore. Deze Engelsman heeft alle standaarddansen ontleed en een notatie ontwikkeld die nog steeds gebruikt wordt als studiemateriaal door de internationale danswereld.

Houding

Bij de ballroomdansen danst men in paren in een strakke, rechte houding. De dame en heer staan met de rechter dij tegen elkaar aan en naar voren of naar achter bewegen gebeurt ‘vanuit’ de dij. Op deze manier geeft de persoon die naar voren beweegt aan de ander aan hoe ver en hoe snel hij of zij moet lopen. De heer en dame kijken elkaar niet aan, maar kijken doorgaans links langs elkaar. Het bovenlichaam blijft boven de heupen. Er worden dus niet zoals in de Latijns-Amerikaanse dansen bewegingen gemaakt met de heupen. Met de armen vormen dame en heer een frame. Er is echter minder spanning aanwezig in de armen dan bij latin het geval is.
De houding wordt gemaakt door breed en rechtop tegenover elkaar te gaan staan. Vervolgens reikt de heer zijn linkerarm bijna gestrekt uit naar de dame. Deze loopt naar de heer, brengt haar rechterdij tegen de zijne, reikt haar rechterarm en vouwt haar rechterhand in zijn linkerhand. Vervolgens vouwt de heer zijn rechterarm om de dame en legt zijn rechterhand op het schouderblad van de dame. Als laatste legt de dame haar linkerhand op de rechterschouder van de heer en houdt haar linkerarm tegen de arm van de heer. Het is hierbij niet de bedoeling dat de dame gaat leunen op de heer, de sierlijke houding waarin de dame schuingebogen staat kan enkel worden bereikt wanneer zij volledig zelf stabiel is.

De tango heeft een nog iets aangepaste houding ten opzichte van de andere ballroomdansen. Bij de tango zakken dame en heer een klein beetje door de knieën om zo ‘dicht bij de grond te dansen’. Verder houdt de dame haar linkerhand vlak en houdt ze haar duim net onder de oksel van de heer, zodat ze een soort van plateau met haar hand maakt. De rechterhand van de heer ligt lager en meer in het midden van de rug van de dame en de vingers van de rechterhand wijzen meer naar beneden.

Engelse Wals

De Engelse wals is een stijldans die in 1921 is ontstaan. De voorloper van de Engelse wals is de Boston, die reeds in 1874 vanuit de Verenigde Staten werd ingevoerd. Rond 1926 kreeg de dans pas de vorm zoals wij die nu kennen. Het woord wals betekent letterlijk draaien.
De muziek waarop een Engelse wals wordt gedanst heeft een driekwartsmaat en standaard tussen de 28 en 31 maten per minuut (uitzonderlijk zelfs trager tot 20 maten per minuut maar dan zeer moeilijk te dansen). Kenmerkend bij het dansen is het romantische en langzame karakter en het rijzen op tel twee tot een “hoogtepunt” op tel drie waarop alweer de daling ingezet wordt om op tel één laag en ver te kunnen gaan, waardoor de dans een ‘golvend’ element krijgt.De passen van deze dans zijn heel zwierig en soepel. Ze lopen in een vloeiende beweging door. Dit wordt bereikt door bij de voorwaartse passen over de hak en de achterwaartse passen over de bal van de voet zo laag mogelijk door de knieën te gaan, afgewisseld met hoge passen over de tenen. De zijwaartse passen (chassées) worden altijd over de tenen (bal van de voet) genomen. De hele dansvloer wordt tijdens de dans benut. De tweede tel, de zijwaartse pas behoort groot te worden gemaakt.

Basispassen en variaties

De basiscombinaties waaruit de wals is opgebouwd zijn de zogenaamde wisselpassen (left~en right foot closed change) en draaien (natural turn en reverse turn). Een wisselpas is een pas voorwaarts, een pas zijwaarts en een weinig naar voren en vervolgens de andere voet weer bijsluiten. De naam wisselpas komt voort uit het feit dat men na deze combinatie met de andere voet weer verder danst, met andere woorden gewisseld van voet. De draaien zijn vergelijkbaar met de wisselpas enkel wordt nu een 3/8 draai toegevoegd. Bij de rechtse draai is dit rechtsom en idem bij de linkse draai linksom. Een basiscombinatie wordt gevormd door 2x rechtse draaibeweging (1x voorwaarts en 1x achterwaarts, de natural turn) vervolgen met de wisselpas met rechts (right foot closed change) 2x linkse draai (1x voorwaarts en 1x achterwaarts, de reverse turn) en vervolgen met de wisselpas met links (left foot closed change). De basis vorm kent ook een verticale beweging, genoemd het rijzen en dalen. Deze verticale beweging ontstaat uit het swing en sway principe. De danser swingt zijn been zijwaarts waardoor het lichaam een lichte curve heeft op het einde van de beweging. Deze curve, vergelijkbaar met het zogenaamde “hangen in de bocht” zorgt ervoor dat de energie van de beweging opgevangen wordt. De energie van de beweging wordt deels door de opgaande beweging (rise cq rijzen) als door de curve in het lichaam geabsorbeerd. Dat geeft de karakteristieke pendel een beweging die vergelijkbaar is met de slinger van een klok.

Bekende basisvariaties in de Engelse wals zijn de spinturn, de weave, de whisk en de chasse. Andere voorbeelden zijn: contra check, hesitation, whisk, fallaway.

Quickstep

De Quickstep is een ballroomdans in vierkwartsmaat, vergelijkbaar met de maat van een snelle foxtrot. Ondanks deze gelijkenis heeft deze dans een eigen style en techniek.

Geschiedenis

De Quickstep is in de jaren 20 ontstaan uit een combinatie van de foxtrot, charleston, shag, peabody en one step. De dans is van oorsprong Engels en is in 1927 gestandaardiseerd. De Quickstep is ondertussen een volledig op zichzelf staande dans geworden, hoewel de invloeden van de oorspronkelijke dansen nog steeds wel zichtbaar zijn.
Richting het einde van de 20ste eeuw is de Quickstep op hoog niveau steeds sneller geworden. Tegenwoordig wordt veel gebruikgemaakt van hopjes, rennen, veel momentum en snel en veel draaien. Dit is vooral mogelijk gemaakt door het gebruik van tussenmaten.

Op lager niveau is dit allemaal in veel mindere mate aanwezig. Dit maakt de dans erg geschikt voor beginners en op de meeste dansscholen wordt deze dans dan ook als één van de eerste dansen geleerd.

Slowfox

De slowfox (ook slow foxtrot) is een stijldans die in het begin van de twintigste eeuw in Amerika is ontstaan uit de “Rag” ragtime en de “Onestep”. Als zodanig is de slow foxtrot ouder dan de Engelse wals. Veel van zijn variaties zijn dan ook overgenomen in de Engelse wals. Oorspronkelijk werd de dans zeer snel gedanst. Tegenwoordig wordt hij echter langzaam gespeeld. De bewegingen in deze dans lopen soepel en in één beweging door. Met het woord foxtrot refereert men soms wel eens naar een slowfox, hoewel het soms ook gebruikt wordt als verwijzing naar de quickstep. Dit was wel de oorspronkelijke naam voor deze dans, maar die werd in 1924 gewijzigd in slowfox toen men deze langzamer is gaan spelen.
De dans werd voor de Tweede Wereldoorlog in Europa geïntroduceerd.

De slowfox wordt nu gedanst op een ritme van 28/30 maten per minuut. Het betreft hier een dans in vierkwartsmaat.
De belangrijkste basis van deze dans bestaat uit de three step en de featherstep. In 1923 en later is de dans formeel vastgelegd door de Engelsen met aanvullende basispassen en figuren. Met name Frank Ford en Josephine Bradley waren de grote promoters van de slow foxtrot en ontwikkelden de nodige technieken en figuren. In 1927 won Frank Ford dansend met Molly Spain de Star Championships met zijn interpretatie van de slow foxtrot.
De dans wordt als statig, gracieus maar lastig ervaren. Dit door de noodzaak van een goede balans en techniek omdat de dans van de ene kant van het lichaam naar de andere kant gaat. Doordat er geen stops in voorkomen en het rijzen en dalen een essentieel onderdeel is van deze dans vergt het de nodige oefening om tot een goede uitvoering te komen.
In wedstrijdverband is de slow foxtrot veelal de 3e dans van de ballroom dansen.
Het komt voor dat er separate wijdstrijden zijn in basic slow foxtrot. In deze wedstrijden ligt de nadruk op de techniek en uitvoering van deze dans waarbij het aantal toegestane figuren beperkt is.

Basisfiguren zijn: Three Step, Feather Step, Natural Turn, Reverse Turn, Closed Impetus, Heel turns.
Standaard Figuren zijn: Natural Weave, Basic Weave, Closed Telemark, Open Telemark, Hover Feather, Hover Telemark, Hover Cross, Open Impetus, Wave.

Tango

De ballroomtango is een stijldans behorende bij de ballroomdiscipline en afkomstig uit La Boca in Buenos Aires, Argentinië. De dans is afgeleid van de Argentijnse tango, maar de dansen verschillen zowel van karakter als van muziek.
De tango werd na zijn internationale doorbraak in de jaren twintig van de 20e eeuw minder sensueel en meer gestileerd gedanst. Na zijn introductie in meerdere Hollywoodfilms werd hij vooral in Frankrijk zeer populair omstreeks 1920. Zoals bij vele dansen werd hij onder Engelse invloed gestandaardiseerd tot een competitiedans.

Hij is een van de vijf ballroom(standaard)dansen. De laatste jaren werd hij echter vooral onder invloed van Italiaanse wereldkampioenen ballroomdansen levendiger, sneller en sensueler en er is een hernieuwde inbreng vanuit de oorspronkelijke Argentijnse tango, terwijl deze laatste dan weer meer evolueert in de richting van de internationale stijl van de latindansen.
De ballroomtango wordt gedanst op muziek in tweekwartsmaat met bijaccenten.

De ballroomtango lijkt wel enigszins op de oorspronkelijke Argentijnse tango. In tegenstelling tot de oorspronkelijke tango bezit de muziek een “strikt tempo” van omstreeks 31 tot 33 maten per minuut. Daardoor is de dans wat vlakker en heeft deze een minder sensueel karakter. De strakke, staccato bewegingen, met name de hoofdacties van de dame, zijn kenmerkend voor de ballroomtango. De houding bij de tango is anders dan bij de andere ballroomdansen, omdat de dame haar linkerhand niet op de schouder van de heer heeft liggen, maar om zijn elleboog heen buigt en haar vingers hierbij tegen de ribbenkast van de heer aandrukt. De hand van de heer ligt niet achter aan de linkerschouder van de dame maar iets lager en meer in het midden van de rug. De tango wordt vlak gedanst met lichtgebogen knieën in tegenstelling met de andere standaarddansen waar het rijzen en dalen van het lichaam een grote rol speelt.

Weense Wals

De Weense wals is een parendans in een tamelijk snelle driekwartsmaat (standaard 56 tot meestal 60 maten per minuut), in tegenstelling tot de langzamere Engelse wals (28 tot 31 maten per minuut). Lang niet alle muziek in driekwartsmaat en met dit tempo is geschikt als Weense wals. Kenmerkend voor de muziek van de Weense wals is het iets uitstellen van de tweede en derde tel (het napikken van met name de altviolen). De eerste tel is in een Weense wals met grote nadruk aanwezig.

De Weense wals kent het kleinste aantal figuren van alle standaarddansen: een rechtse draai (natural), een linkse draai (reverse), een spindraai ter plaatse (fleckerl) en sinds kort worden er ook wel pivots tussengevoegd. Zoals in Engelse wals, slowfox en quickstep is rijzen en dalen op de muziek en sway in de uitvoering zeer belangrijk. Wilt men de officiële Weense wals dansen op een Weens bal dan hoort hij links te worden uitgevoerd.

NB: figuren op de wedstrijdvloer: Natural Turn, Reverse Turn, Forward Change Right to Left en Left to Right, Backward Change R to L en L to R, Natural Fleckerl, Reverse Fleckerl, Contra Check, Off Beat Spin, Balancé to Right, Balancé to Left, Balancé Forward, Balancé Backward. Alex More (auteur diverse danstechniekboeken) geeft overigens nog beschrijvingen van enige andere figuren, maar omdat hierbij de dame loskomt van de heer (onder meer met soloturn) mogen deze niet op de wedstrijdvloer gedanst worden, met uitzondering van de opening (alleen op de 4 maten van de intro). In plaats van de Contra Check die meestal tussen de Reverse en Natural Fleckerl gedanst wordt, of als start van alleen de Natural Fleckerl, wordt tegenwoordig ook wel een Oversway-Throwaway gedanst. Alex Moore beschreef deze figuren overigens in zijn 1e techniekboek, dat uitkwam rond 1930.
De Weense wals als dans is in de 18e eeuw ontstaan uit de Oostenrijkse volksdans de Landler. Aan de Europese hoven is de dans lange tijd verboden gebleven om het intieme lichamelijke contact tussen de danspartners. De Weense wals is oorspronkelijk van Duitse afkomst en werd in het begin “Duitse” genoemd. De bekende walscomponist Strauss heeft meer dan 300 muziekwerken (waaronder vele walsen) geschreven en overtrof daarmee veruit zijn vader (Johann sr.) Aan het eind van de 18e eeuw werd de naam wals aan deze dans gegeven, de eerste echte (Weense) walsmelodie dateert dan ook uit 1770.

Latin American

De term Latijns-Amerikaanse dansen wordt wel op twee manieren gebruikt:
Als verzamelterm voor dansen die zijn ontstaan in Latijns-Amerika en het Caribische gebied die tevens gedanst worden op Latijns-Amerikaanse muziek en Caribische muziek.

In de context van stijldansen wordt de term ook wel meer formeel gebruikt om te verwijzen naar de vijf internationale Latijns-Amerikaanse stijldansen, Chachacha, Rumba, Samba, Paso doble en Jive. Vaak wordt dan ook wel de Engelse term Latin-American of Latin gebruikt.

De meeste Latijns-Amerikaanse dansen worden gedanst in paren; iedere heer danst met een dame. In tegenstelling tot de ballroomdansen wordt bij de Latijns-Amerikaanse dansen niet heel strak in de houding gedanst, maar is de houding losser en mag men de houding ‘breken’.

In sommige dansen betekent dit dat de heer en de dame verder uit elkaar staan, zoals in de mambo (een door dansleraren veel gebruikte quote uit de film Dirty Dancing: “This is my dance space. This is your dance space. I don’t go into yours, you don’t go into mine.”). In andere dansen, zoals de merengue, staan de paren juist heel dicht op elkaar. In de Latijns-Amerikaanse dansen is het bewegen van de heupen belangrijk om de dansen het juiste karakter te geven. De romp, heupen en benen horen onafhankelijk van elkaar te bewegen, waar in de ballroomdansen de heupen recht onder de romp gehouden horen te worden.

Cha cha cha

De Chachacha is een dans die is ontstaan in Cuba en in het begin van de jaren 50 opdook in de nachtclubs van de Verenigde Staten. De Amerikanen – in tegenstelling tot de Europeanen – dansten reeds de mambo die de directe voorvader van de chachacha is.

Geschiedenis

In het begin der jaren vijftig begonnen meerdere Cubaanse componisten de Danzón te spelen met een licht gewijzigd ritme. Enrique Jorrín, componist, violist en directeur van het Cubaanse dansorkest ‘América’ uit Havana creëerde een eenvoudig te dansen versie door de gezongen melodie en de gespeelde muziek iets van elkaar los te koppelen. Hij maakte van de vierde tel een gesyncopeerde tel, waardoor het klonk als een slow-mambo. Maar de gezongen melodie doet dat niet.
Het eerste deel van zijn ‘La engañadora’ uit 1951 wordt algemeen beschouwd als de voorvader van de chachacha. (Het tweede deel is mambo). De chachacha werd eerst ook wel neodanzón en triple-mambo genoemd. Later werd de uitvoering iets aangepast tot de huidige dans ontstond: de chachacha, genoemd naar het geluid dat de zij-sluit-zij-pasjes in het basisfiguur maken op de vloer.
De dans werd in het Europese wedstrijdcircuit in 1953 geïntroduceerd door de beroemde Franse danser Pierre Jean Phillip Zurcher Margolie (‘Monsieur Pierre’) die in Londen een dansschool had.

Danswijze

De chachacha heeft een vierkwartsmaat maar met een gesyncopeerd ritme: de vierde tel is gesplitst in twee delen. Die twee samen vormen slechts één kwartmaat. Dit zijn de eerste twee cha’s van de chachacha. Dit wordt geteld als ‘4-en’. In plaats van de basispas van de mambo “voor-terug-zij” is hier een “voor-terug-zij-sluit-zij” ritme (geteld als: 2-3-4-en-1).
Belangrijk bij deze dans is het strekken van de benen na het zij-sluit-zij waarbij de strekkende houding op de laatste zijwaartse stap ligt. Bij de voorwaartse en achterwaartse passen is het belangrijk dat het gewicht van de ene voet naar de andere voet wordt verplaatst en de voet bij het naar voren en achteren gaan iets naar buiten wordt gedraaid zodat de heup ook naar buiten wordt gedraaid en de heupactie ontstaat die zeer kenmerkend is voor de dans. De voorwaartse en achterwaartse passen moeten “ball-flat” worden gedanst. Bij de chachacha houdt de danser(es) met de voeten zo veel mogelijk contact met de vloer.
Er zijn veel variaties en stijlen mogelijk. De meest voorkomende stijl is de losse stijl waarbij niet in danshouding wordt gedanst. Enkele variaties zijn hand to hand, new yorker, alamana, rope spin, hip twist, outside step en turkish towel.
De muziek waarop de chachacha gedanst wordt, heeft een vierkwarts-maat en kent een snelheid die standaard 30 tot 34 maten per minuut bedraagt. Veel van de moderne popmuziek en discomuziek uit de jaren zeventig en ’80 is geschikt om een chachacha op te dansen, wat bijdraagt aan de populariteit van deze dans.
Typische begeleidingsinstrumenten in de chachacha zijn de ratelinstrumenten als de maracas, guiro en kabassa.

Jive

De Jive is de laatst ontwikkelde Latijns-Amerikaanse dans en is rond 1940 ontwikkeld uit de “Jitterbug”, door de Amerikaanse soldaten meegebracht naar Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er zijn ook invloeden van Rock & Roll, bebop en de Swing (dans) Amerikaanse Swing maar zonder de acrobatische elementen.

Jiven wordt ook wel gebruikt als verzamelnaam voor verschillende dansen waaronder de Lindy Hop, Shag, Shag Hop, Jitterbug, Rock ’n Roll, Boogie Woogie, Style Swing.

Jive is één van de vijf Latin-dansen. De meeste figuren worden gedanst op basis van 6 tellen, dus anderhalve maat. Sommige zoals de link-and-wip worden op 8 tellen gedanst. De houding is losser in vergelijking met andere Latin-dansen zoals chachacha, rumba of paso doble. De jive wordt gedanst op een tempo van 42/44 maten per minuut.

Paso Doble

De Paso Doble (Spaans voor dubbele stap) is een dansstijl die rond 1920 is ontstaan en stamt oorspronkelijk uit Frankrijk. Later is deze dans verder uitgewerkt in Spanje.
De Paso Doble is een Latijns-Amerikaanse stijldans die uit Europa afkomstig is. De man speelt de rol van stierenvechter of matador en de dame is el capa (de rode lap) die de stier moet opjagen. De man ‘zwiert’ de dame rond alsof zij die rode lap was. Paso Doble betekent letterlijk ‘dubbele pas’. Oorspronkelijk was de Paso Doble echter een social dance waarin vooral gewoon gestapt werd. De typische Spaanse matador-houdingen zijn latere ontwikkelingen. De passen van de paso doble zijn deels afgeleid uit de Flamenco, maar volgens de techniek is het verkeerd om te veel Flamenco-stijl in deze dans in te brengen. De paso doble is de enige Latin-stijldans waar de man de hoofdrol speelt en blikvanger is. Oorspronkelijk was de paso doble een ballroomdans, maar later is het een Latijns-Amerikaanse dans geworden.

 

Danshouding

De linkerarm van de heer wordt op oorhoogte in een gebogen stand van bijna 90 graden gehouden en de dame legt haar rechterhand op de hand van de heer waarna de vingers gesloten worden. De rechterhand van de heer ligt op het linkerschouderblad van de dame, net iets meer naar de zijkant dan bij de Ballroom. De dame legt haar linkerhand op de bovenarm van de heer.
Dansrichting
Bij de Paso Doble is er sprake van een dansrichting. Hier wisselen zijden zich zeer snel en vaak af, maar men danst tegen de klok in. In paso doble bestaat er geen basispas. Er wordt dikwijls op de eerste tel met de voet op de grond gestampt (appél) en dan gaat de figuur verder tot (meestal) 8 tellen of een veelvoud daarvan.

Dansmuziek

De Paso Doble wordt gedanst op bij de dans behorende muziek met een ritme van 60 tot 62 maten per minuut.[1] De muziek kenmerkt zich door highlights: accenten in de muziek waarop het danspaar een vaste houding aan moet nemen in hun dansprogramma. Zodra de muziek daarna weer doorgaat, kan er weer verder gedanst worden. Bij het wedstrijddansen zijn deze highlights essentieel voor de normering van het danspaar.
Een veel gebruikt muzieknummer om de Paso Doble op te dansen is España Cañi.
De Paso Doble (Spaans voor dubbele stap) is een dansstijl die rond 1920 is ontstaan en stamt oorspronkelijk uit Frankrijk. Later is deze dans verder uitgewerkt in Spanje.
De Paso Doble is een Latijns-Amerikaanse stijldans die uit Europa afkomstig is. De man speelt de rol van stierenvechter of matador en de dame is el capa (de rode lap) die de stier moet opjagen. De man ‘zwiert’ de dame rond alsof zij die rode lap was. Paso Doble betekent letterlijk ‘dubbele pas’. Oorspronkelijk was de Paso Doble echter een social dance waarin vooral gewoon gestapt werd. De typische Spaanse matador-houdingen zijn latere ontwikkelingen. De passen van de paso doble zijn deels afgeleid uit de Flamenco, maar volgens de techniek is het verkeerd om te veel Flamenco-stijl in deze dans in te brengen. De paso doble is de enige Latin-stijldans waar de man de hoofdrol speelt en blikvanger is. Oorspronkelijk was de paso doble een ballroomdans, maar later is het een Latijns-Amerikaanse dans geworden.

Danshouding

De linkerarm van de heer wordt op oorhoogte in een gebogen stand van bijna 90 graden gehouden en de dame legt haar rechterhand op de hand van de heer waarna de vingers gesloten worden. De rechterhand van de heer ligt op het linkerschouderblad van de dame, net iets meer naar de zijkant dan bij de Ballroom. De dame legt haar linkerhand op de bovenarm van de heer.

Dansrichting

Bij de Paso Doble is er sprake van een dansrichting. Hier wisselen zijden zich zeer snel en vaak af, maar men danst tegen de klok in. In paso doble bestaat er geen basispas. Er wordt dikwijls op de eerste tel met de voet op de grond gestampt (appél) en dan gaat de figuur verder tot (meestal) 8 tellen of een veelvoud daarvan.

Dansmuziek

De Paso Doble wordt gedanst op bij de dans behorende muziek met een ritme van 60 tot 62 maten per minuut.[1] De muziek kenmerkt zich door highlights: accenten in de muziek waarop het danspaar een vaste houding aan moet nemen in hun dansprogramma. Zodra de muziek daarna weer doorgaat, kan er weer verder gedanst worden. Bij het wedstrijddansen zijn deze highlights essentieel voor de normering van het danspaar.
Een veel gebruikt muzieknummer om de Paso Doble op te dansen is España Cañi.

Rumba

Rumba is een muziek- en dansvorm die zijn oorsprong kent in Afrika.
Het woord zelf komt uit Spanje en betekent letterlijk ‘feest’. Een zanger doet zijn verhaal, enkel begeleid door percussie (enkele trommels en een houten blokje). Omstanders dansen, zingen en klappen mee. Door de slavenhandel is deze manier van muziek maken naar het Amerikaanse continent – in dit geval Cuba – gebracht. Daarnaast bestaat er ook een Spaanse Rumba en een (weergekeerde) Afrikaanse Rumba, beide geïnspireerd op die Cubaanse populaire muziek (son en salsa).

Originele Rumba

De originele Afrikaanse Rumba werd zeer snel gedanst. De bewegingen van de man waren agressief en die van de vrouw defensief. Het is de dans van de haan en de hen.

Cubaanse Rumba

In Cuba evolueerde de Rumba. Er zijn drie belangrijke vormen:
De yambú: een trage vorm, waarin een landelijk verhaal verteld wordt. Meestal om het feest te beginnen, met plaats voor de dans van de ouderen.
De guaguancó: sneller en vinniger. Een meer stadse vorm waarbij de verleiding in de dans centraal staat.
De Columbia: zeer snel en virtuoos. Met een competitief element in een acrobatische solo-dans.
Deze Cubaanse Rumba’s worden uitgevoerd op de tumbadora’s (conga’s) (een soort trommel waarop met de hand geslagen wordt), de claves (twee stokjes) en de catá (een soort woodblock). De (rumba-)clave is de ritmische basis, de eerste twee in een vierkwartsmaat, de laatste in 6/8.

Rumba in het hedendaagse dansen

De Rumba evolueerde naar een moderne dans nadat hij populair gemaakt werd door Xavier Cugat en zijn orkest in de Coconut Groove te Los Angeles tijdens de jaren twintig van vorige eeuw.
Rond 1954 werd de dans ook in Frankrijk en daarna in de rest van Europa ingevoerd en werd de uitvoering meer gestileerd met elegante bewegingen van armen en benen. De basis van die stijl werd gelegd door het dansduo Pierre en Lavelle in 1955.
Het ritme van de Rumba werd met de tijd steeds trager.
De 14-voudige wereldkampioenen Latin-dansen Donnie Burns en Gaynor Fairweather beïnvloedden die evolutie naar een nog trager ritme zodat ze snellere bewegingen konden maken in gesyncopeerde passen.
De Rumba wordt gezien als de dans der verleiding: in tegenstelling tot de Afrikaanse versie is het hier de vrouw die haar partner verleidt door hem beurtelings aan te trekken en dan weer af te wijzen.
Een typische beweging van de Rumba ziet men vooral in de heup op de eerste van de vier tellen. In de basispas (van een vereenvoudigde versie) gaat dit als volgt: voor (tel 2)- terug (tel 3)- zij (tel 4)- nu pas gewicht op deze heup plaatsen en dit been strekken (tel 1) waardoor deze heup hoog komt en de andere laag.
De rumba in het stijldansen heeft een ritme van 24/26 maten per minuut. Dit tempo lag enkele jaren nog een tweetal maten hoger.
De Rumba is één van de vijf Latin competitiedansen en is daarin de dans waarin de meeste persoonlijke expressie gelegd wordt.

Samba

De Samba is een zeer opzwepende dans die afkomstig is uit Brazilië. Wij kennen de Samba met name door het uitbundige carnaval in Rio De Janeiro.
De Sambamuziek en dans roept een zomerse sfeer op, met schaars geklede dames en heren die met name hun heupen wild bewegen op de opzwepende muziek. Zoals bij alle Zuid-Amerikaanse muziek is het flirtende karakter duidelijk aanwezig. Veel moderne (house-)muziek heeft invloeden uit de samba in zich, aangezien het lekker in het gehoor ligt en het enorm swingt. Samba staat voor Dansen, Feesten, Zon en de kleuren Geel & Groen (de Braziliaanse vlag). In Europa wordt vaak gedacht dat Samba slechts 1 soort muziek en dans inhoudt, maar eigenlijk is het een verzamelnaam voor vele variaties met een hun eigen tradities ritme, tempo en sfeer.

De geschiedenis van de Samba gaat terug naar het begin van de 20ste eeuw, en is een samensmelting van muziek uit de Indiaanse, Europese en Afrikaanse cultuur. De basis, het ritme, is onmiskenbaar gebaseerd op Afrikaanse muziek die slaven uit de Portugese kolonies Mozambique en Angola hebben meegenomen. Volgens sommigen is het woord “Samba” of “Semba” zelfs van Afrikaanse origine. Het zou gaan om een traditionele krijgsdans waarbij de deelnemers trommelend en zingend in een kring staan. Dit is ook nog steeds te herkennen in de Braziliaanse gevechtsdans ‘Capoeira’ die al sinds de 15de eeuw door Afrikaanse slaven gespeeld werd. Om en om doen de deelnemers een solo in het midden van de kring en worden aangemoedigd door de anderen.

Aan het begin van de vorige eeuw ontstonden er steeds grotere sloppenwijken rond de grote steden zoals met name Rio de Janeiro, (dat de hoofdstad van Brazilië was van 1763 to 1960). Werkloze landarbeiders (ex-slaven), immigranten uit Portugal en andere landen trokken naar de steden in de hoop werk te vinden. Het leven speelde zich grotendeels buiten af en de verschillende etnische groepen droegen hun (muzikale) tradities uit door gewoon op straat te spelen. Hierdoor ging de samensmelting van culturen en invloeden zeer gemakkelijk. Het duurde tot 1920 voordat de ‘slavenmuziek’ tot het katholieke carnaval, het feest voorafgaand aan de vastenmaand, werd toegelaten. Wanneer voor de ontstane muziek de term Samba het eerst gebruikt werd is onbekend, de dans en muziek werd in eerste instantie “Maxixe” of “Tango Brasileiro” genoemd.

In de jaren ’20 en ’30 had de samba-rage zijn hoogtepunt in Brazilië. Naast de klassieke ballades (‘Samba Canção’) was ook de ‘Samba Enredo’ ontstaan, welke tot op heden tijdens het Carnaval van Rio wordt gezongen en gedanst. Er waren grote “Escolas de Samba” gekomen, die tegelijkertijd carnavalsverenigingen waren. Deze Samba-scholen vervulden, vooral in de sloppenwijken, een belangrijke sociale functie. Een aantal hiervan groeiden uit tot organisaties met grote commerciële belangen. Toch nam de populairiteit van de Samba af doordat de mensen meer geïntersseerd raakten in muziek en dans die in andere landen was onstaan, zoals de Cha, Foxtrot en Bolero. Dit kwam mede door het politieke klimaat zoals de diverse staatsgrepen en de Duitse en Italiaanse immigranten. In de vijftiger jaren ontwikkelden een aantal componisten de Bossa Nova (=nieuwe stroming). Deze muziek was harmonieuzer en stond voor de hoger opgeleide en intellectuele generatie.

Toch bleef de Samba in het hart van de Brazilianen, met name de bij de armen uit de sloppenwijken, en is het tegenwoordig niet meer weg te denken uit de Braziliaanse cultuur. Er zijn inmiddels veel muziekstromingen waar invloeden uit de samba in verwerkt zijn, denk maar aan de latin-house, lounge en ‘gewone’ popmuziek die opgeleukt wordt met zomerse invloeden. Ook Brazilië kent haar eigen popmuziek, ‘Musica Popular Brasileira’. Het Carnaval van Rio de Janeiro is grootser dan waar ook ter wereld en de Samba heeft zich mondiaal verspreid en komt terug in diverse vormen.